In het damspel zijn schijfoffers een interessant thema, maar niet erg alledaags; tactische toepassingen waarbij een offer gevolgd wordt door een dwangzet om daarna pas verder te combineren (zoals het offer van Dussaut) zie je nog wel eens. Ook een schijf geven om door te breken is een bekend concept. Tijdelijke offers voor positievoordeel komen ook wel voor.
‘Echte’ (langetermijn)offers zie je echter zelden – het enige standaardvoorbeeld is het Drost-offer (soms beantwoord met het Wiersma-tegenoffer). Verder bevat de damnomenclatuur geen voorbeelden - het ‘gambiet van Shvartsman’ in zijn partij tegen Bezwersjenko is niet echt ingeburgerd.
Langetermijnoffers hebben een twijfelachtige reputatie; elke schijf is gelijk en daarom telt men altijd eerst het aantal. Wanneer je in analyse een offer voorstelt in ruil voor compensatie is vaak het eerste wat je hoort: ‘sta je niet gewoon een schijf achter?’ Remise spelen met een schijf meer wordt als zonde beschouwd.
Toch ligt het genuanceerder: legendarische spelers als Shvartsman en Georgiejev hebben in hun carrière meerdere succesvolle offers gepleegd. Die laatste heeft laten optekenen dat “het spelen met een schijf achter me altijd wel bevalt”. Het legt psychologische druk bij de tegenstander, die steeds denkt: ben ik eigenlijk wel blij met deze schijf, of kan ik hem beter teruggeven? In dat laatste geval, ben ik dan een angsthaas?
Precies die vragen legde Jitse Slump bij kersvers wereldkampioen Jan Groenendijk neer in de competitiewedstrijd Witte van Moort – WSDV. Het leverde Slump een prachtige zege op die ook beslissend was voor het team: het werd 11-9.